ONONTKOOMBAAR

Joncquil

19 juli 2019
Het is een verklaarbaar mooi woord. Misschien wel het mooiste woord dat ik ken. Op een winterdag was het er ineens.

Voor Galgje leek het mij een gewonnen zaak en ook als synoniem van inspiratie. Dus schreef ik het, in één keer, op een afgescheurd stukje papier. Daar ligt het sindsdien als wetenschap, onontkoombaar, maar Nooit op dezelfde plek. Vaak pak ik het vast als het ligt te roepen zodat ik het zie of als ik zie dat het ligt te roepen. Het is als het roepen van een neonlicht. Het roept alles en niets naar je netvlies.

Vandaag ligt het mooiste woord in hoofdletters op een afgescheurd strookje papier te roepen op mijn bureau. Dat bureau staat nu in mijn atelier. Mijn atelier is volgebouwd met kunstwerken van de afgelopen twintig jaar. Aangevuld met zeldzame lampen, stoelen, kasten, een bank uit de jaren ‘50 / ‘60. Die meubels weten nog niet zeker of ze zuiver staan te pensioneren of dat ze eindigen als bouwstenen in nieuw werk. Nieuw werk dat zich in duizenden verschillende ideeën schuilhoudt in mijn hoofd. Mijn hoofd dat langzaam maar sneller ouder wordt dan mijn gedachten. Op het bureau, dat eigenlijk een bouwsteen is voor nieuw werk of de zeldzame Asmeta-tafel van Friso Kramer die het altijd al was, ligt ook een dia uit vervlogen tijden. Ik houd hem tegen het licht. Er staat een kleine jongen op in korte broek. Links naast hem twee scheppen in de hoek. Een blauwe afgeronde en een vierkante rode. Hij draagt zwarte kniekousen in sandalen met een paddenstoel van blonde haren. Rechts van hem knijpt een oude man met zijn ogen tegen het zonlicht. In zijn te ruime bruine corduroy broek, blauwe coltrui, met stoppelbaard en een schedel zonder haren. Er zit een leven tussen hen in. Toen droeg ik zwarte kniekousen, nu een blauwe coltrui. Ik ben hen tussenbeide, in het leven halverwege tussen de jonge jongen en de oude man die zij zijn.

Van buiten lijk ik nu meer op mijn opa dan de jongen die ik was. Mijn gedachten zitten nog in het hoofd en lijf van dat jongetje van 40 jaar geleden. Die jongen ben ik vanbinnen. Vanbinnen, met mijn ogen dicht, voel ik de stof van het T-shirt op mijn lijf. Mijn lijf voelt het T-shirt anders dan de binnenkant van mijn hand. Mijn hand aait uren over de gladde stof, glijdt in de richting van de schepen die erop staan afgebeeld. Op mijn lievelingsshirt, ondanks enorme puntkragen, staat een schilderij van de Haagse School afgebeeld. Vissersboten die op het strand de vangst uitdelen. Het uitdelen van de vangst is ook de realiteit van die dag. Die dag is opa langsgekomen op de camping met een emmer vol vis. Een grijze plastic emmer staat voor mij op de grond, Van grond tot rand gestapelde scholletjes. De scholletjes zijn vers, ze kijken mij hoopvol aan en ruiken nog in de wind. De wind is een zomerbries en mengt het ruisen van bladeren met de lucht van strand, zon, zout, schol en opa. Opa ruikt naar de tomatensoep met balletjes van oma. Hij staat weer naast mij en vertelt een onverklaarbare mop. Zijn lach maakt mijn lach onontkoombaar. Mijn vader zegt dat ik een scholletje moet pakken voor de foto. Ik huiver en ontwaak. De foto legt het leven even vast.

De neon roept

IS WORDT EN WAS
ZITTEN OP EEN BANK
ZEGT IS TEGEN WAS
IK BEN WAT JIJ WAS
ZEGT WAS TEGEN IS
IK BEN WAT JIJ WORDT
ZEGT WORDT
ALS IK WORDT BLIJF WORD IK JULLIE ALLEBEI
WANNEER IK IS WORDT WAS IK HET OOK

(Bekijk werk Is Wordt Was)

Joncquil

Joncquil de Vries is beeldend kunstenaar.


Meer over Joncquil?
Kijk op:
http://cargocollective.com/joncquil

eerlijk DELEN

Share on facebook
Share on twitter
19 juli 2019