De manifestatie van het alledaagse

Ymkje Faber

17 juli 2020
Afbeeldingen worden sinds mensenheugenis gekoesterd, geliefkoosd, verborgen, terechtgewezen, aangevallen, vernietigd, op een voetstuk geplaatst, terzijde geschoven, geïmiteerd, vergeten of bewaard. Er wordt zachtjes tegen ze gepraat (of praten ze zachtjes tegen ons?) en soms maken ze sprakeloos. De één kan een uur lang in stilte op een bankje verdwijnen in het schilderij Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue III van Newman en een ander hakt er met een stanleymes op in. Een schilderij van de kruisiging van Jezus hangt ontastbaar metershoog in een kerk om door iedereen bewonderd te kunnen worden en een beeltenis van Maria wordt meedragen in een portemonnee en wordt soms zachtjes gekust. Deze verschillende rollen hebben afbeeldingen altijd in ons leven aangenomen.

Waarom zijn mensen en kunst zo verbonden? En waarom hebben we zo’n uiteenlopende manier van reageren? Waarom hebben afbeeldingen soms een onweerstaanbare aantrekkingskracht en waarom laten ze ons soms koud? Hoe kan het dat een schilderij van een dierbare ook een beetje die dierbare wordt? Waarom schieten woorden zo vaak te kort om een schilderij, muziekstuk of ander kunstwerk te beschrijven; wat het is en wat het met je doet?

Semir Zeki, een neuroloog die onderzoek doet naar de ervaring van kunst met de ervaring van schoonheid als onderdeel hiervan, zegt dat de hersengebieden die actief zijn bij de ervaring van schoonheid altijd hetzelfde zijn, ongeacht de bron; visueel, auditief of cognitief. Dit geldt ook voor mathematische of morele schoonheid (bijv. iemand zien die goed doet voor een ander). Als een wiskundeformule als mooi ervaren wordt, is de kans groter dat deze ook klopt. Dus de ervaring van schoonheid is in die zin ook nuttig. Wat ons op welk moment aantrekt, kan verschillen, maar wat er op die momenten in onze hersenen gebeurt, is vergelijkbaar. Of we iets mooi vinden of juist niet zit uiteindelijk in onszelf, niet in het ding.

Zeki is vooral gespecialiseerd in het visuele brein en hij leert ons iets wat we direct op de basisschool zouden moeten leren: onze waarneming en onze kennis zijn relatief. Alle prikkels die via de zintuigen binnenkomen, worden verwerkt door de voorgevormde structuren in ons brein, die doorgaans in de eerste levensjaren worden opgebouwd. Iemand die blind is geboren en weer kan kijken, ziet ‘niets’, omdat deze structuren niet zijn gevormd. Zou deze persoon dan niet oorspronkelijker de werkelijkheid waarnemen? Dat denk ik wel. In ieder geval is alles wat je waarneemt sowieso niet dé werkelijkheid, maar de werkelijkheid zoals jij die waarneemt middels je zintuigen.

Onze waarneming beperkt dus onze visie. Maar met behulp van kunst en onze verbeelding ontsnappen we aan onze waarneming, misschien wel om dichterbij de werkelijkheid te komen. Geen wonder dat het zo moeilijk is om het te beschrijven. Mensen verbeelden een god om zich ertoe te verhouden, mensen verbeelden wiskunde om het te kunnen begrijpen, mensen verbeelden hun geliefden om de herinnering actief te houden, mensen verbeelden hun verdriet en geluk, dat zo alledaags en zo ongrijpbaar is. Zodra dit onzichtbare is gemanifesteerd, kunnen we ons ertoe verhouden en kan het ons veranderen. Dat is de kunst!

Ymkje Faber

Ymkje S. Faber is humanisticus, docent, saxofonist en doet hobbymatig aan fluisteren met paarden.

eerlijk DELEN

Share on facebook
Share on twitter
17 juli 2020